Stadsbrand Enschede 1862-2012
 

150 jarige herdenking van de stadsbrand in Enschede 1862 – 2012
Deze website is een initiatief van Enschede in Ansichten

Brandstichting?

Op 1 mei 1862 krijgt Enschede koninklijk bezoek. Koning Willem III bezoekt op zijn rondreis door de provincie Overijssel ook Enschede. De stad is met groen en bloemen versierd. Tientallen erebogen zijn opgericht en geven de stad een vriendelijk en feestelijk gezicht.
De komst van Koning Willem III is alleen voor de rijken een feestdag. Lodewijk van Voorst is toeschouwer onder het gewone volk. Het duurt niet lang meer en dan zal Koning Willem III zich laten toejuichen door de menigte. Het is warm. Mannen en vrouwen praten wat met elkaar en kinderen vermaken zich door wat heen en weer te rennen. “Wat is het toch een mooie dag vandaag”, zegt de vrouw naast Lodewijk. “Mag zo zijn,” zegt Lodewijk, “maar daar heb ik niets aan. Mijn zorgen zijn niet weg te nemen door mooi zomerweer.”

Twee jaar geleden is hij getrouwd. Hij moet voor zichzelf en zijn vrouw Maria zorgen. Het valt niet mee om als fabrieksarbeider de touwtjes aan elkaar te knopen. Een eigen huisje zit er al helemaal niet in voor Lodewijk en zijn vrouw. Wel hebben ze sinds kort aan de Kalanderstraat het achterhuis van Gerhard Wilmink kunnen huren. Voor de inrichting is niet veel nodig: een tafel met een paar stoelen, een petroleumlamp, een oud kookfornuis, een paar etensborden met lepels en vorken, een broodmes en beddengoed. Al met al toch een flinke investering voor een stel dat het niet breed heeft.

Lodewijk is verbitterd. “De koning komt alleen maar de mooie dingen bekijken. Hij zal kijken in de fabrieken, waar de arbeiders vandaag in hun beste kleding aan het werk zijn. Hij komt écht niet voor ons, om ons te helpen. Onze krotten zijn afgedekt met groene dennentakken. Het is niets meer dan versierde armoede. Vanavond is de stad verlicht met gaslampen en vetpotten en daar mogen wij naar kijken. De rijken gaan dansen en drinken.” “Wij kunnen toch vanavond met de kinderen naar het vuurwerk gaan kijken? En ook de vetpotjes branden. Het is vast een prachtig gezicht als Enschede verlicht is,” zegt de huisvrouw achter Lodewijk.
“Als we dat dennengroen nou eens in brand steken, dan zal je zien hoe mooi Enschede is. Om nooit te vergeten! En als de vlammen heel Enschede doorgaan, moet de koning maar zorgen voor nieuwe huizen.” Lodewijk schrikt van zijn eigen woorden.

Enkele dagen later, 7 mei 1862, hangt de versiering nog steeds te pronken in de stad. De versiering is blijven hangen om de herinnering aan het bezoek van Koning Willem III vast te houden. Door de hoge temperaturen van de afgelopen dagen is het dennengroen kurkdroog geworden.
Maria probeert het laatste beetje eten warm te maken. Een moeilijke opgave, het fornuis is uit en er is geen turf meer om te stoken. Lodewijk loopt naar buiten en trekt een heleboel verdroogde dennentakken van de versiering af. “Zo, dit moet genoeg zijn om het fornuis te verwarmen,” denkt hij. Een deel van de dennentakken gaat in het fornuis. De rest legt hij op een berg ernaast. Ze steken het dennengroen in het fornuis aan. Het duurt echter niet lang of de takken náást het fornuis vatten ook vlam door een vonk uit het fornuis. Maar dat is niet de bedoeling! Lodewijk doet verwoede pogingen om het vuur uit te krijgen, maar het vuur grijpt te snel om zich heen in het houten achterhuis.

“Brand! Brŕŕŕnd!” Maria rent angstig de woning uit en ze vlucht gillend en schreeuwend de straat op. “Brand! Brŕŕŕnd!” Snel komen de mannen uit de buurt aangerend, ze rennen naar het huis van Lodewijk en Maria. Brigadier Schutstal van de Rijksveldwacht woont aan de overkant. Zijn middageten laat hij thuis achter om het achterhuis van het arme stel Lodewijk en Maria te redden. Hij rent naar buiten om maatregelen te treffen. De brigadier heeft geen tijd om ook maar iets te doen. Het kleine huisje aan de Kalanderstraat staat intussen al in lichterlaaie. De vuurzee zoekt ook al zijn weg door de nauwe straten van de stad. De houten gevels hebben geen enkele schijn van kans. Het verdroogde dennengroen dat voor een week geleden nog zo feestelijk leek pakt de vlammen vast. De vlammen vernietigen alles wat ze maar kunnen. Aangeslagen kijken Lodewijk en Maria naar hun huis. Niets hebben ze kunnen redden, alles is verbrand.

“Van Voorst, hoe heb je dat nu kunnen doen?” Het is de norse stem van de brigadier. “Ik heb niets gedaan,” zegt Lodewijk. “Het fornuis wilde niet branden en ineens sloegen de vlammen door het huis. Ik kon de vlammen niet meer stoppen.” “Ja ja,” zegt de brigadier. “Vorige week wilde je nog het dennengroen in de straten in brand steken”. Steeds meer mensen komen bij Lodewijk en de brigadier staan. Lodewijk ziet vanuit zijn ooghoeken een paar mannen van de schutterij dichterbij komen. Zijn maag lijkt om te draaien en Lodewijk krijgt een misselijkmakend gevoel. Hij beseft dat hij nu verdacht wordt van deze gruwelijke en allesverwoestende brand. Lodewijk hoeft dan ook niet lang te wachten op de harde woorden van de brigadier. “Of je het nu aangestoken hebt of dat je onvoorzichtig ben geweest, dat is aan de rechter. In naam van de Koning ben je mijn gevangene.” Twee leden van de schutterij slaan hem in de boeien en nemen hem tussen zich in.

Maria is getuige van de arrestatie van haar man. Ze heeft haar haar verwilderd om haar hoofd hangen en roetvlekken op haar wangen. Haar ogen kijken angstig. Een buurvrouw neemt haar aan haar arm mee. Maria is niet de enige die bang is. Lodewijk maakt zich zorgen. Zorgen om Maria en zorgen om de toekomst.

Hieronder links: de RC kerk na de brand in 1862
Hieronder rechts: het stadhuis van Enschede na de brand in 1862


RC kerk na de brand  Stadhuis van Enschede na de brand

Burgemeester Lambertus ten Cate is op zijn werkkamer boven in het stadhuis en ziet tot zijn ontzetting dat de brand niet meer onder controle is. Hij gaat naar beneden en geeft opdracht om de archiefstukken naar een veilige plek te brengen, in de toren van de Grote Kerk op de Markt.
De burgemeester schrijft snel een telegram voor de commissaris van de Koning in Zwolle.

“Enschede staat op verschillende plaatsen in brand. Ten Cate, burgemeester.”

Stadsdiender Piet Lempersz krijgt de opdracht het zo spoedig mogelijk met zijn paard naar het telegraafstation dichtstbijzijnde in Hengelo te brengen. De telegraafdraden hadden in die jaren het stadje Enschede nog niet bereikt. Het paard kan de weg naar het telegraafstation wel dromen. Vaak zijn hij en Piet daar samen geweest. Deze keer is het anders. Op straat zijn er meer mensen dan anders. Sommigen rennen en anderen kijken verdwaasd om zich heen. Er zijn veel karren boordevol persoonlijke bezittingen. Piet heeft grote moeite om door de menigte heen te komen. Eenmaal buiten de stadspoort lijkt het wat makkelijker te gaan, al kan Piet geen vaart maken door de vluchtende mensenmassa. Eenmaal aangekomen op de straat naar Hengelo wordt het steeds minder druk en wanneer ze de laatste huizen voorbij zijn, krijgt het paard van Piet vrij baan. Zo snel hij maar kan, galopperen ze naar het telegraafstation. De tolwachter heeft Piet al herkent en aan de snelheid te zien, bedenkt hij dat het vast iets te maken heeft met de duistere roetwolken die boven de stad Enschede hangen. “De stad staat in brand!” zegt Piet als hij langs de tolwachter galoppeert.
Eenmaal aangekomen bij het telegraafstation springt Piet van zijn geliefde paard af. Onder het lopen haalt hij het bericht van de burgemeester uit zijn borstzak. Hij beseft zich als geen ander hoe belangrijk deze boodschap is die hij moet brengen. Piet biedt de ambtenaar de boodschap aan met de opdracht deze naar de commissaris van de Koning te seinen.

Hieronder: Panorama van de stad na de brand. Op de voorgrond een verzameling van meubels die nog tijdens de brand in veiligheid gebracht kon worden en diverse noodtenten om een gedeelte van de dakloze bevolking te huisvesten. In de ruines zijn duidelijk de overblijfselen van de Nederlands Hervormde Kerk en de Rooms Katholieke Kerk te herkennen. Het betreft hier een illustratie uit de engelse krant "The illustrated London News" van 31 mei 1862 waarin destijds uitvoerig verslag gedaan werd over de brand in Enschede. Ongewild was Enschede wereldnieuws in die dagen.

Enschede na de brand

In de tussentijd ontmoet burgemeester ten Cate de brigadier. Hij vertelt hem dat er geruchten gaan van brandstichting. “Het is Lodewijk van Voorst, burgemeester. Hij woont samen met zijn vrouw Maria sinds kort in het achterhuis van Gerhard Wilmink. Op Koningsdag heeft hij ook al gedreigd om het dennengroen in de straten in de brand te steken.” “Arresteer die man onmiddellijk”, zegt de burgemeester. “Sluit hem op op een veilige plek”.

In de dagen na de brand wordt een nerveuze Lodewijk naar de burgemeester gebracht. Lodewijk geeft keurig antwoord op de vragen die de burgemeester hem stelt. “Wie ben je? Wat doe je? Waar woonde je? Waar is de brand ontstaan? Is de brand ontstaan door onvoorzichtigheid of door grove nalatigheid?” Lodewijk stamelt: “Het was een ongeluk.” “Oh ja, is dat zo? Ik heb gehoord dat je hebt gedreigd om de dennentakken in de brand te steken. Dat heb je gezegd op Koningsdag. Er zijn meerdere getuigen.” Lodewijk ontkent. “Mijn vrouw wilde het laatste beetje eten koken dat we nog hadden. Er was geen turf meer, dus heb ik de dennentakken gehaald en die naast het fornuis gelegd. Het fornuis heb ik aangestoken en voor ik het wist sprong er een vonkje naar het dennengroen naast het fornuis. Er was al direct geen blussen meer aan. Echt waar!”
De burgemeester verwijt hem dat hij hoort te zorgen dat er turf is. Lodewijk geeft aan dat hij geen werk en geld heeft. “Ook arme mensen horen te werken om turf te kopen.” “Mensen als ik verdienen te weinig!” Ten Cate is achterdochtig en vraagt zich af of dit wat met de onvrede onder de arbeiders heeft te maken, er is de laatste tijd wel meer oproer.

Na een vervelend gesprek geeft burgemeester Ten Cate de opdracht om Lodewijk van Voorst naar Almelo te brengen. Hier zal hij terecht staan als verdachte van brandstichting, met als gevolg de verwoesting van Enschede.

Na een tijdje in voorarrest is Lodewijk van Voorst vrijgesproken in verband met gebrek aan bewijs.

Bron: Buursink, J. (1962). Stadverbranden. Enschede: Van der Loeff.

Copyright © 2012-2017 Willem Janssen Webdesign Peter Janssen